Lezingen van de dag – woensdag 2 sept 2020

woensdag in week 22 door het jaar


Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 3, 1-9

In een wankele tijd is er altijd gevaar dat bepaalde mensen zich meer gaan hechten aan personen dan wel aan de inhoud van het christendom. Dit was ook het geval te Korinte. Paulus nodigt ons uit ons niet te laten beïnvloeden door twistvragen. Want wie echt in dienst staat van het evangelie verwijst niet naar zijn eigen persoon, maar naar Christus zelf.

Broeders en zusters,
ik kon tot u niet spreken als tot geestelijke mensen. Ik sprak tot mensen van deze wereld, tot niet meer dan kinderen in het geloof in Christus. Ik heb u melk gegeven, geen vast voedsel; daar was u niet aan toe. En ook nu nog niet, want u bent nog gebonden aan de wereld. Wanneer u afgunstig en verdeeld bent, dan bent u toch gebonden aan de wereld, dan leeft u toch als ieder ander?
Wanneer de een zegt: ‘Ik ben van Paulus’, en een ander: ‘Ik van Apollos’, bent u dan niet als alle andere mensen? Wat is Apollos eigenlijk? En wat is Paulus? Zij zijn niet meer dan dienaren die u tot geloof hebben gebracht, beiden op de wijze die de Heer hun heeft geschonken. Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God heeft doen groeien.
Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want Hij doet groeien. Wie plant en wie begiet hebben hetzelfde doel, al worden ze ieder apart beloond overeenkomstig de moeite die ze zich hebben gegeven. Dus wij zijn medewerkers van God en u bent zijn akker.

Psalm 33, 12 + 13 + 14 + 15 + 20 + 21

Refr.: Uw koningschap, Heer, omspant de eeuwen.

Gelukkig het volk dat de Heer als zijn God heeft,
de natie die Hij verkoos als de zijne.

Uit de hemel ziet de Heer omlaag
en slaat Hij de sterveling gade.

Vanaf zijn troon houdt Hij het oog
op allen die de aarde bewonen.

Hij die de harten van allen vormt,
Hij doorziet al hun daden.

Wij verwachten vol verlangen de Heer,
Hij is onze hulp en ons schild.

Ja, om Hem is ons hart verblijd,
op zijn heilige Naam vertrouwen wij.

Uit het evangelie volgens Lucas 4, 38-44

De mensen wilden Jezus, de wonderdoener, vasthouden voor zichzelf. De genezingen die Hij verrichtte gaven daar schijnbaar aanleiding toe. Maar Jezus was gekomen voor alle mensen en niet slechts voor een kleine groep.

Na het verlaten van de synagoge ging Jezus naar het huis van Simon. Simons schoonmoeder had hoge koorts, en ze vroegen Hem om haar te helpen.
Hij boog zich over haar heen en sprak de koorts bestraffend toe. Die verliet haar, en meteen stond ze op en begon voor hen te zorgen.
Toen de zon was ondergegaan, brachten de mensen al hun zieken naar Hem toe, aan welke kwaal ze ook leden. Hij legde hun een voor een de hand op en genas hen. Hij dreef ook veel demonen uit, die schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ Hij sprak hen bestraffend toe en verbood hun iets te zeggen; ze wisten immers dat Hij de messias was.
Bij het aanbreken van de dag vertrok Hij en ging naar een eenzame plaats. De mensen gingen Hem zoeken, en toen ze Hem gevonden hadden probeerden ze Hem ervan te weerhouden bij hen weg te gaan. Maar Hij zei tegen hen: ‘Ook in de andere steden moet Ik het goede nieuws over het koninkrijk van God brengen, want daarvoor ben Ik gezonden.’
En Hij maakte dat goede nieuws bekend in de synagogen van Judea.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.