Lezingen van de dag – woensdag 26 aug 2020

 

woensdag in week 21 door het jaar


Uit de eerste brief van Paulus aan de Tessalonicenzen 2, 9-13

Paulus beschrijft nog verder zijn dienstbetoon aan de Tessalonicenzen. Hij was nooit anderen tot last. Als een vader heeft hij ieder van hen vermaand en aangemoedigd. Daarom is hij zo blij dat de Tessalonicenzen in hem de gezondene van de Heer hebben herkend.

U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. U kunt getuigen, en God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u God eer bewijst. Hij roept u tot zijn koninkrijk en luister. Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft.

 

Psalm 139, 7-12

Refr.: Heer, met al mijn wegen bent U vertrouwd.

Heer, hoe zou ik aan uw aandacht ontsnappen,
hoe aan uw blikken ontkomen ?
Klom ik op naar de hemel – U tref ik daar aan,
lag ik neer in het dodenrijk – U bent daar.

Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,
al ging ik wonen voorbij de verste zee,
ook daar zou uw hand mij leiden,
zou uw rechterhand mij vasthouden.

Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken,
het licht om mij heen veranderen in nacht,’
ook dan zou het duister voor u niet donker zijn;
de nacht zou oplichten als de dag,
het duister helder zijn als het licht.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 23, 27-32

Jezus eindigt zijn verwensingen aan de Farizeeën. Hij vergelijkt hen met opgesmukte graven die vanbinnen vol zitten met huichelarij en ongerechtigheid. De Farizeeën vergelijken zich met de oude profeten, terwijl ze van het geslacht waren dat de profeten heeft uitgemoord.

Jezus sprak:
‘Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden. Zo lijken ook jullie voor de mensen uiterlijk op rechtvaardigen, terwijl jullie innerlijk vol huichelarij en wetsverachting zijn.
Wee jullie, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten en versieren de graven van de rechtvaardigen, en jullie zeggen: “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze voorouders, zouden wij ons niet zoals zij schuldig hebben gemaakt aan de moord op de profeten.” Daarmee erkennen jullie zelf dat jullie kinderen zijn van hen die de profeten vermoord hebben. Maak de maat van jullie voorouders dan maar vol!’

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.