Lezingen van de dag – zaterdag 19 sept 2020

zaterdag in week 24 door het jaar

Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 15, 35-37 + 42-49

Dikwijls maken mensen moeilijkheden tegen de verrijzenis omdat ze zich de toestand van de verrijzenis niet kunnen voorstellen. Paulus waarschuwt ons voor deze vergissing. Het verrezen lichaam zal eenvoudig niet te vergelijken zijn met het huidige. Het vergankelijke dat wij nu kennen zal helemaal onvergankelijk worden.

Broeders en zusters,
iemand zou kunnen vragen: ‘Hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’
Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders.
Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.
Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen.’ Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest. Niet het geestelijke is er als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

Psalm 56, 10c + 11 + 12 + 13

Refr.: Ik kan wandelen onders Gods hoede.

Dit weet ik: God staat mij ter zijde.
Op God, wiens woord ik prijs,
op de Heer, wiens woord ik prijs,
op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?

Aan U, God, heb ik geloften gedaan,
met dankoffers wil ik U betalen,
U hebt mijn leven aan de dood ontrukt,
mijn voet voor struikelen behoed.
Nu kan ik wandelen onder Gods hoede
in het licht van het leven.

Uit het evangelie volgens Lucas 8, 4-15

Lucas verhaalt ons de parabel van de zaaier evenals Matteüs en Marcus. Maar hij onderlijnt meer de vele mogelijkheden die de wasdom van het zaad kunnen bemoeilijken. Ondanks deze vele kansen tot mislukking blijft de zaaier zijn zaad kwistig uitstrooien. Het Woord van God vindt wel hier of daar een goed stukje in ons waar het kan ontkiemen.

Toen er vanuit de steden mensen naar Jezus toe gekomen waren en er zich een grote menigte verzameld had, vertelde Hij deze gelijkenis: ‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Terwijl hij daarmee bezig was, viel er wat zaad op de weg. Het werd vertrapt en door de vogels opgegeten. Er viel ook wat zaad op rotsachtige bodem, maar toen het opschoot, droogde het uit door gebrek aan water. Ander zaad viel tussen de distels, en toen de distels opschoten verstikten ze het. Maar er viel ook wat zaad in vruchtbare aarde, en dat bracht honderdvoudig vrucht voort toen het was opgeschoten.’
Hij voegde er met luide stem aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.’
Zijn leerlingen vroegen Hem wat deze gelijkenis betekende.
Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen. Dit is de betekenis van de gelijkenis: Het zaad is het woord van God. Het zaad op de weg, dat zijn zij die geluisterd hebben, maar daarna komt de duivel en graait het woord weg uit hun hart, om te voorkomen dat ze worden gered door te geloven. Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig. Het zaad dat tussen de distels valt, dat zijn zij die wel geluisterd hebben, maar door zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven worden ze gaandeweg verstikt, zodat ze geen vrucht dragen. Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen.’

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.