maandag in week 4 door het jaar (oneven jaren)

Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 11, 32-40

Aan de hand van voorbeelden die degenen, voor wie deze brief geschreven is, zeer goed kenden, laat de schrijver zien dat het geloof een gave is, die een bovenmenselijke kracht met zich meebrengt. Maar ook al heeft God al deze mannen en vrouwen waardig bevonden, toch hebben ze niet de realisatie gezien in Christus van wat ze geloofden. Wij allen genieten van het uitzonderlijke voorrecht te mogen leven in het tijdvak van Christus.

Broeders en zusters,
Wat valt hier nog aan toe te voegen? De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuel, en over de profeten, die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was; die leeuwen de muil toeklemden, aan vuur de laaiende kracht ontnamen en ontkwamen aan de houw van het zwaard; die hun zwakheid krachtig overwonnen, in de oorlog machtige helden werden en vijandelijke legers op de vlucht joegen. Vrouwen kregen hun doden terug doordat die uit de dood opstonden. Anderen werden gemarteld tot de dood erop volgde en wilden van geen vrijlating weten, omdat ze uitzagen naar een betere opstanding. Weer anderen kregen te maken met bespotting en geseling, zelfs met arrestatie en gevangenschap. Ze werden gestenigd of doormidden gezaagd, of stierven door een moordend zwaard. Ze zwierven rond in schapenvachten of geitenvellen, berooid, vernederd en mishandeld. Ze doolden door verlaten oorden en berggebieden en verscholen zich in grotten en holen onder de grond. Ze waren voor de wereld te goed. Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan omdat God voor ons iets beters had voorzien, en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken.

Psalm 31, 20-24

Refr.: De Heer behoedt de standvastigen.

Hoe groot is het geluk
dat U hebt weggelegd voor wie U vrezen,
dat U bereid hebt voor wie schuilen bij U,
heel de wereld zal het zien.

U verbergt hen in de beschutting van uw gelaat
voor de lagen en listen van mensen,
uw tent biedt hun een schuilplaats
voor de laster van kwade tongen.

Geprezen zij de Heer om zijn trouw,
Hij heeft een wonder voor mij verricht,
Hij ontzette mij als een belegerde stad.

In mijn angst had ik gezegd:
‘Ik ben verbannen uit uw ogen,’
maar U hebt mijn smeekbede gehoord
toen ik U om hulp riep.

Getrouwen van de Heer, heb Hem lief.
De Heer behoedt de standvastigen,
voorgoed rekent Hij af met de hoogmoedigen.

Uit het evangelie volgens Marcus 5, 1-20

Het land van de Gerasenen was voor de Joden het land van de heidenen. Deze leefden in de ogen van de Joden in grafspelonken, in graven, als zwijnen. Jezus wil deze hardheid van de Joden doorbreken en laten zien dat Hij ook voor deze mensen gekomen is. De bezetene die Hij geneest wordt uitgenodigd te gaan vertellen wat de Heer voor hem gedaan heeft. Jezus stoot niemand uit. Voor ieder persoonlijk is Hij gekomen.

Jezus en zijn leerlingen kwamen aan de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen.
Toen Hij uit de boot gestapt was, kwam Hem meteen vanuit de grafspelonken een man tegemoet die door een onreine geest bezeten was en in de spelonken woonde. Zelfs als hij vastgebonden was met een ketting kon niemand hem in bedwang houden. Hij was al dikwijls aan handen en voeten geketend geweest, maar dan trok hij de kettingen los en sloeg hij de boeien stuk, en niemand was sterk genoeg om hem te bedwingen. En altijd, dag en nacht, liep hij schreeuwend tussen de rotsgraven en door de bergen en sloeg hij zichzelf met stenen.
Toen hij Jezus in de verte zag, rende hij op Hem af en viel voor Hem neer, en luid schreeuwend zei hij: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer je bij God: doe me geen pijn!’ Want hij had tegen hem gezegd: ‘Onreine geest, ga weg uit die man.’
Jezus vroeg hem: ‘Wat is je naam?’
En hij antwoordde: ‘Legioen is mijn naam, want we zijn met velen.’ Hij smeekte Hem dringend om hen niet uit deze streek te verjagen.
Nu liep er op de berghelling een grote kudde varkens te grazen. De onreine geesten smeekten hem: ‘Stuur ons naar die varkens, dan kunnen we bij ze intrekken.’
Hij stond hun dat toe. Toen de onreine geesten de man verlaten hadden, trokken ze in de varkens, en de kudde van wel tweeduizend stuks stormde de steile helling af, het meer in, en verdronk in het water. De varkenshoeders sloegen op de vlucht en vertelden in de stad en in de dorpen wat ze hadden meegemaakt, en de mensen gingen kijken wat er was gebeurd.
Ze kwamen bij Jezus en zagen de bezetene daar zitten, gekleed en bij zijn volle verstand, dezelfde man die altijd bezeten was geweest door het legioen, en ze werden door schrik bevangen. Degenen die alles gezien hadden, legden uit wat er met de bezetene en met de varkens was gebeurd. Daarop drongen de mensen er bij Jezus op aan om hun gebied te verlaten.
Toen Hij in de boot stapte, smeekte de man die bezeten was geweest om bij Hem te mogen blijven.
Dat stond Hij hem niet toe, maar Hij zei tegen hem: ‘Ga naar huis, naar uw eigen mensen, en vertel hun wat de Heer allemaal voor u heeft gedaan en hoe Hij zich over u heeft ontfermd.’
De man ging weg en maakte in Dekapolis bekend wat Jezus voor hem had gedaan, en iedereen stond verbaasd.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.