vrijdag in week 15 door het jaar

Uit het boek Exodus 11, 10 – 12, 14

God gaat steeds verder om zijn volk te bevrijden. Hij droeg de Israëlieten op in de nacht een lam te slachten volgens een bepaald ritueel. Ze moesten ervan eten en zich reisvaardig houden om ’s morgens te kunnen vertrekken. Het slachten van het lam werd jaarlijks ritueel herhaald om de bevrijding uit Egypte te gedenken.

In die dagen verrichten Mozes en Aäron vele wonderen voor de farao, maar de Heer had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan.
De Heer zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte: 
‘Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden. Het dier mag niet halfgaar of gekookt worden gegeten, maar uitsluitend geroosterd, en in zijn geheel: met kop, poten en ingewanden. Zorg ervoor dat er de volgende morgen niets meer van over is. Mocht er toch iets overblijven, dan moet je dat verbranden. Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de Heer, het pesachmaal. 
Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en Ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en Ik zal alle Egyptische goden een afstraffing geven, want Ik ben de Heer. Maar jullie zal Ik voorbijgaan: aan het bloed zal Ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee Ik Egypte straf, jullie niet treffen.
Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de Heer. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren.’

Psalm 116, 12 + 13 + 15 + 16bc + 17 + 18

Refr.: Ik zal de Naam aanroepen van de Heer.

Hoe kan ik de Heer vergoeden
wat Hij voor mij heeft gedaan?
Ik zal de beker van bevrijding heffen,
de Naam aanroepen van de Heer.

Kostbaar in de ogen van de Heer
is het leven van zijn getrouwen.
Uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares:
U hebt mijn boeien verbroken.

U wil ik een dankoffer brengen.
Ik zal de Naam aanroepen van de Heer
en mijn geloften aan de Heer inlossen
in het bijzijn van heel zijn volk.

Vers voor het evangelie (Ps 119, 18)

Alleluia.
Neem de sluier van mijn ogen;
dan zal ik zien
hoe wonderlijk mooi uw wet is.
Alleluia.

Uit het evangelie volgens Matteüs 12, 1-8

Mensen mogen niet gebruikt worden om wetten te rechtvaardigen maar integendeel zijn die wetten er voor de mensen. Dit was een van de vernieuwingen die Christus bracht. De Farizeeën offerden mensen op om hun wetten te redden. Christus bracht wetten om mensen te redden.

In die tijd liep Jezus op sabbat eens door de korenvelden. Zijn leerlingen hadden honger en begonnen aren te plukken en ervan te eten. Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Hem: ‘Kijk, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.’ 
Hij antwoordde: ‘Hebt u niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, hoe hij het huis van God binnenging en er met hen van de toonbroden at, terwijl noch hij noch zijn mannen daarvan mochten eten, alleen de priesters? En hebt u niet in de wet gelezen dat de priesters die op sabbat in de tempel dienstdoen en zo de sabbat ontwijden, onschuldig zijn? Ik zeg u: hier gaat het om iets groters dan de tempel! 7
Als u begrepen had wat bedoeld wordt met: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers,” dan zou u geen onschuldigen hebben veroordeeld. Want de Mensenzoon is heer over de sabbat.’

Van Woord naar leven

OVER HET HART VAN ONS CHRISTEN-ZIJN

Barmhartigheid wil Ik, geen offers

Wanneer je ‘barmhartigheid’ opzoekt in het woordenboek, krijg je: ‘Barmhartigheid is de behoefte om hulp te verlenen aan mensen die in geestelijke of lichamelijke nood verkeren. Het is nauw verbonden met en rechtvaardigheid.’ Christelijk geduid zou je dan kunnen stellen dat barmhartigheid de stap is om vanuit Jezus’ aanwezigheid in jezelf naar de ander toe te gaan om die ander Gods liefde aan te bieden doorheen daden van ontvankelijkheid en warme goedheid.

In het leven gaat het niet om het offer van schapen, bokken – of wat dan ook – om God goedgunstig te stellen. Het gaat om de gave van onszelf aan God; om een totale beschikbaarheid voor het werk van de Heer, vanuit een geworteld zijn in Hem. Dit laatste zal je maken tot een barmhartig mens, om de eenvoudige reden dat Degene in wie je geworteld bent – Christus – een en al barmhartigheid is.

Laten we ons geven aan Jezus’ aanwezigheid in ons, opdat we dragers en uitdragers mogen zijn van Gods liefde en barmhartigheid. Ja, laat ons zo Kerk zijn; fris, blij én met de glimlach van God.

Laten we bidden

Goede God,
Heer van hemel en aarde,
Gij vraagt geen offers, maar barmhartigheid.
Geef dat wij uw oproep tot liefde mogen welkom heten,
haar koesteren en beminnen,
opdat uw Rijk meer en meer gestalte mag krijgen
in onze huizen, straten, dorpen en steden.
Alle dagen van ons leven.
Amen.

Mogen we met z’n allen een geurige gave zijn voor God en medemens.
Een mooie vrijdag.

kris

 

 

Reageren of uitwisselen betreffende de overweging kan via de blog Van Woord naar leven.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan de NBV21, © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.