vrijdag in week 9 door het jaar

Uit het boek Tobit 11, 5-15a

De Joden in ballingschap ontdekten geleidelijk dat God het was die hen een dieper inzicht schonk in de dingen. De genezing van de blinde Tobit door zijn zoon Tobias, is er een symbolisch teken van. Ons wijst het verhaal op een openheid voor Gods gaven, die we dankbaar aanvaarden.

Anna zat weer bij de weg uit te kijken naar haar zoon.
Toen ze hem zag aankomen, riep ze zijn vader toe: ‘Daar komt je zoon, samen met zijn reisgenoot!’
Nog voordat Tobias bij zijn vader was, zei Rafaël: ‘Je vader zal beslist weer kunnen zien. Doe de gal in zijn ogen, de vliezen zullen door het medicijn krimpen en loslaten, en dan zal hij het licht weer kunnen zien.’
Anna vloog op haar zoon af en viel hem om de hals. ‘Daar ben je dan,’ snikte ze, ‘nu kan ik in vrede sterven.’
Tobit was opgestaan en schuifelde door de poort van de binnenplaats naar buiten. Tobias kwam hem tegemoet met de gal van de vis en blies in zijn ogen. ‘Houd moed, vader,’ zei hij, terwijl hij hem bij de hand nam. Hij bracht het medicijn aan en trok met beide handen de vliezen vanuit de ooghoeken weg. Tobit viel Tobias om de hals.
Huilend zei hij: ‘Ik kan je weer zien, jongen. Je bent het licht van mijn ogen.’
En hij dankte God: ‘God zij geprezen, geprezen is zijn grote naam en geprezen zijn al zijn heilige engelen. Moge zijn grote naam ons beschermen. Geprezen zijn al zijn engelen voor eeuwig en altijd. Hij heeft me zwaar beproefd, maar nu kan ik mijn zoon Tobias weer zien.’

Psalm 146, 2 + 7 + 8 + 9 + 10

Refr.: Koning is de Heer tot in eeuwigheid.

De Heer wil ik loven, zolang ik leef,
mijn God bezingen zolang ik besta.

De Heer doet recht doet aan de verdrukten,
Hij geeft brood aan de hongerigen.
De Heer bevrijdt de gevangenen.

De Heer opent de ogen van blinden,
de Heer richt de gebogenen op,
de Heer heeft de rechtvaardigen lief.

De Heer beschermt de vreemdelingen,
wezen en weduwen steunt Hij,
maar wie kwaad doen, richt Hij te gronde.

De Heer is koning tot in eeuwigheid,
je God, Sion, van geslacht op geslacht.

Uit het evangelie volgens Marcus 12, 35-37

Jezus stelde zijn leerlingen herhaalde malen voor de vraag naar zijn persoon. Dat Hij zoon van David zou zijn, namen ze wel aan. Maar hoe kon Hij ook tegelijk Davids meerdere zijn? Het antwoord wil duidelijk maken dat Hij meer was dan een politieke messias, meer dan een mens.

Jezus vroeg de mensen bij zijn onderricht in de tempel: ‘Hoe kunnen de schriftgeleerden beweren dat de messias een zoon van David is? Zelf heeft David, geïnspireerd door de heilige Geest, gezegd: “De Heer sprak tot mijn Heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand, tot Ik je vijanden onder je voeten heb gelegd.’” David noemt Hem Heer, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?’
De talrijke aanwezigen luisterden graag naar Hem.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.