woensdag in week 16 door het jaar

Uit het boek Exodus 16, 1-5 + 9-15

In de woestijn na de bevrijding uit Egypte is het volk alleen nog aangewezen op zijn Godsvertrouwen. Het dagelijkse manna is hiervan een teken. Het geloof sluit in, dat ook zij dagelijks bouwen op God en niet op hun menselijke berekeningen. Dan alleen kunnen zij Gods aanwezigheid volledig peilen, zoals wij het beleven in de Eucharistie.

Vanuit Elim trok het hele volk van Israël weer verder. Op de vijftiende dag van de tweede maand na hun vertrek uit Egypte bereikten ze de woestijn van Sin, die tussen Elim en de Sinai ligt. Daar in de woestijn begon het volk zich opnieuw te beklagen. ‘Had de Heer ons maar laten sterven in Egypte’, zeiden ze tegen Mozes en Aäron. ‘Daar waren de vleespotten tenminste gevuld en hadden we volop brood te eten. U hebt ons alleen maar naar de woestijn gebracht om ons hier allemaal van honger te laten omkomen.’
De Heer zei tegen Mozes: ‘Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen. De mensen moeten er dan elke dag op uitgaan om net zo veel te verzamelen als ze voor die dag nodig hebben. Daarmee stel Ik hen op de proef: Ik wil zien of ze zich aan mijn voorschriften houden. Op de zesde dag moeten ze tweemaal zo veel verzamelen en klaarmaken als op de andere dagen.’
Mozes zei tegen Aäron: ‘Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Wend u tot de Heer, want Hij heeft uw geklaag gehoord.”’
Zodra Aäron dit aan het volk had opgedragen en allen zich met het gezicht naar de woestijn hadden opgesteld, verscheen in een wolk de majesteit van de Heer. De Heer zei tegen Mozes: ‘Ik heb gehoord hoe de Israëlieten zich beklagen. Zeg tegen hen: “Wanneer de avond valt zullen jullie vlees eten, en morgenochtend brood in overvloed. Dan zullen jullie inzien dat Ik, de Heer, jullie God ben.”’
Diezelfde avond kwamen er grote zwermen kwartels aangevlogen, die in het kamp neerstreken, en de volgende morgen lag er overal rond het kamp dauw. Toen de dauw opgetrokken was, bleek de woestijn bedekt met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde lag.
‘Wat is dat?’ vroegen de Israëlieten elkaar toen ze het zagen; ze begrepen niet wat het was.
Mozes zei tegen hen: ‘Dat is het brood dat de Heer u te eten geeft.’

Psalm 78, 18-19 + 23-28

Refr.: De Heer gaf zijn volk brood uit de hemel.

Met opzet daagden zij God uit
en riepen om eten zoveel als ze wilden.

Zij beledigden God en zeiden:
Zou God in staat zijn een tafel te dekken in de woestijn?

Hij gaf een bevel aan de hoge wolken
en de deuren van de hemel gingen open.

Manna om te eten regende op hen neer.
Hij schonk hun het koren van de hemel.

Zij aten het brood van de engelen,
Hij stuurde voedsel dat hen verzadigde.

Hij liet uit de hemel de oostenwind los,
de zuidenwind wakkerde Hij aan.

Vlees regende als stof op hen neer,
vogels zo talrijk als zandkorrels aan de zee.

Hij liet ze vallen midden in zijn kamp,
in een kring om zijn tabernakel.

Uit het evangelie volgens Matteüs 13, 1-9

De parabel van de zaaier is een populaire voorstelling dat God nooit ophoudt zichzelf te geven. Ondanks vijandige krachten die tegenwerken, blijft Hij het zaad verder uitstrooien. Want Hij weet dat een stukje goede grond zijn zaad wel zal opnemen. Geven wij gehoor aan zijn oproep, dan bieden wij dit stukje goede grond.

Die dag verliet Jezus het huis en ging aan de oever van het meer zitten. Er kwam een grote mensenmassa om Hem heen staan, en daarom ging Hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef. Hij sprak hen uitvoerig toe en vertelde gelijkenissen:
‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen. Toen de zon opkwam verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het uit. Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed. Maar er viel ook wat zaad in goede grond, en dat bracht vrucht voort, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig.
Laat wie oren heeft goed luisteren!’

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.