woensdag in week 9 door het jaar

Uit het boek Tobit 3, 1-11

Bidden wanneer men ziek is, valt niet mee, tenzij men door alles heen toch geloven kan dat God nabij is, zoals Tobit. Voor ons is het wellicht doorgaans niet mogelijk om dan op een uitdrukkelijke wijze te bidden. Het gaat trouwens ook veel meer om een gelovige houding in de beproeving.

Overmand door verdriet barstte ik in tranen uit, en snikkend bad ik: ‘Heer, U bent rechtvaardig, alles wat U doet is rechtvaardig. Al uw daden getuigen van uw barmhartigheid en trouw. U bent rechter van de wereld. Vergeet mij toch niet en vestig uw blik op mij, Heer, en straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen U gezondigd en uw geboden niet in acht genomen. Daarom hebt U ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder we zijn verstrooid. Ja, uw oordeel over mij is rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn U niet trouw gebleven. Doe daarom met mij wat U wilt, gebied toch dat mijn levensadem wordt teruggenomen. Dan word ik tenminste verlost van dit aardse bestaan en verga ik tot stof. Ik kan maar beter sterven dan dat ik nog langer moet leven, want de leugenachtige verwijten die ik heb moeten aanhoren, hebben me diep gegriefd. Ach Heer, gebied toch dat ik van deze ellende word bevrijd en laat me naar mijn eeuwige rustplaats gaan. Wend uw blik niet van me af, Heer, want het is beter dat ik sterf dan dat ik in ellende moet leven en me vals moet laten beschuldigen.’
Diezelfde dag werd Sara, de dochter van Raguël uit Ekbatana in Medië, door een van de slavinnen van haar vader beledigd. Sara was al aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest Asmodeüs had ze allemaal in de huwelijksnacht gedood, nog voordat ze–zoals gebruikelijk is in de huwelijksnacht–gemeenschap met haar hadden gehad. De slavin wierp haar voor de voeten: ‘U vermoordt al uw echtgenoten. Aan maar liefst zeven mannen bent u al uitgehuwelijkt, maar van niet één draagt u de naam. Moet u óns mishandelen omdat uw echtgenoten zijn gestorven? Ga ze liever achterna, dan wordt ons tenminste voor altijd een kind van u bespaard.’
Huilend van verdriet vluchtte Sara naar de bovenverdieping van haar vaders huis. Ze wilde zich daar verhangen, maar kwam tot bezinning en dacht: Ze zullen tegen mijn vader zeggen: ‘Je enige kind, je dochter van wie je zoveel hield, heeft zich van ellende verhangen.’ Wat een schande zal dat voor hem zijn op zijn oude dag. Hij zal nog van verdriet sterven. Nee, dat kan ik hem niet aandoen. Ik mag me niet verhangen. Het is beter dat ik de Heer vraag of hij me wil laten sterven; dan hoef ik nooit meer van die valse beschuldigingen aan te horen.
Ze ging naar het raam, hief haar handen omhoog en bad: ‘Geprezen bent U, barmhartige God, uw naam zij voor eeuwig en altijd geprezen. Laat heel uw schepping U tot in eeuwigheid prijzen.’

Psalm 25, 2-9

Refr.: De Heer is goed en rechtvaardig.

Mijn God, op U vertrouw ik, maak mij niet te schande,
laat mijn vijanden niet triomferen.

Zij die op U hopen worden niet beschaamd,
beschaamd worden zij die U achteloos verraden.

Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,
leer mij uw paden te gaan.

Wijs mij de weg van uw waarheid en onderricht mij,
want U bent de God die mij redt,
op U blijf ik hopen, elke dag weer.

Denk aan uw barmhartigheid, Heer,
aan uw liefde door de eeuwen heen.

Denk niet aan de zonden uit mijn jeugd,
maar denk met liefde aan mij
en laat uw goedheid spreken, Heer.

Goed en rechtvaardig is de Heer:
Hij wijst zondaars de weg.

Wie nederig zijn leidt Hij in het rechte spoor,
Hij leert hun zijn paden te gaan.

Uit het evangelie volgens Marcus 12, 18-27

Hoewel wij ons niet kunnen voorstellen hoe het verrezen leven eruit zal zien, daarom moeten wij het feit van de verrijzenis zelf nog niet loochenen. Met menselijk vergelijkingsmateriaal komen wij hier niet veel verder. Daarbij komt nog dat onze God geen God is van doden, maar van levenden. Dit is wezenlijk voor onze godsdienst.

Er kwamen enkele Sadduceeën naar Jezus toe; volgens de Sadduceeën is er geen opstanding uit de dood. Ze vroegen Hem: ‘Meester, Mozes heeft ons het volgende voorgeschreven: “Als iemand sterft en een vrouw achterlaat, maar geen kinderen, moet zijn broer die vrouw bij zich nemen en nakomelingen verwekken voor zijn broer.” Er waren eens zeven broers. De eerste nam een vrouw en stierf zonder nakomelingen; de tweede nam haar tot vrouw, maar stierf ook zonder nakomelingen; en met de derde ging het net zo. Geen van de zeven kreeg nakomelingen. Het laatst van allen stierf de vrouw. Wiens vrouw zal ze dan zijn bij de opstanding, wanneer ze opstaan uit de dood? Alle zeven zijn ze immers met haar getrouwd geweest.’
Jezus antwoordde: ‘Dwaalt u niet? U kent blijkbaar de Schriften niet en evenmin de macht van God. Want wanneer de mensen uit de dood opstaan, trouwen ze niet en worden ze niet uitgehuwelijkt, maar zijn ze als engelen in de hemel. Wat betreft de opwekking van de doden, hebt u in het boek van Mozes in het gedeelte over de doornstruik niet gelezen dat God tegen hem zei: “Ik ben de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob”? Hij is geen God van doden, maar van levenden; u dwaalt vreselijk!’

De Bijbelteksten zijn ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.